Column – Thijs Zonneveld

Benen scheren

Op mijn benen een bos haar. In mijn hand een scheermesje. En in mijn hoofd vraagtekens. Wat moest ik nou? Scheren? Of juist niet scheren?

Foto: ANP

Elke lente hetzelfde liedje. Zodra de zon schijnt, begint mijn scheermesje te roepen. Ik ben al een eeuw of drie gestopt met wielrennen – maar als de lente komt, dan kriebelen de haren op mijn benen.

Want stel dat ik het in mijn harses haal om te gaan fietsen met een korte broek, dan mag dat onder geen enkele voorwaarde met een oerwoud op mijn kuiten. Ik ben gehersenspoeld. Wielerbenen, die horen kaal te zijn – zeker in de zomer. En ook glad. En het liefst ook nog (zonnebank)bruin.

Voor de noodzaak van gladde benen bestaan een paar officiële redenen. Daarvan maakt de gemiddelde wielrenner dankbaar gebruik om op verjaardagsfeestjes of stapavonden aan niet-kenners (‘Wat? Scheer jij je benen?’) uit te leggen waarom hij in godsnaam zijn benen scheert, epileert, lasert of harst.

Gram

Officiële reden 1: het is fijn voor de masseur. Voor zo’n benenkneder is het toch niet te doen om avond na avond door een stuk tapijt te wroeten? Toch?

Officiële reden 2: het is handig bij valpartijen. Een wielrenner ziet er na een asfaltkus en een bezoekje aan de rondedokter uit als een mummie: ingezwachteld van top tot teen. Die pleisters en bandages moeten er ook een keer af. Dan kun je je maar beter geschoren hebben. Zoniet: au.

Officiële reden 3: gewicht. Al ken ik maar één renner die kaal ging (en niet alleen op zijn benen) om een paar picogrammen te besparen: Michael Rasmussen. Groot gelijk had hij. Wie expres te kleine schoenen aantrekt, de stickers van zijn fiets vijlt en zijn koersbroeken weegt, die kan zich net zo goed gladder dan glad scheren. Elke gram telt.

Schoonheid

En dan nu de enige werkelijke reden: het is gewoon mooi. Waarom? Daarom. Nee, over deze smaak valt niet te twisten. Benen zijn glad. Punt uit. En zo denken alle renners in het peloton erover. Noem het meelopers, noem het meefietsers, noem het een subcultuur – maar het verandert nooit.

Wielrenners hebben een volledig op zichzelf staand gevoel voor schoonheid ontwikkeld. Ze willen ieder spiertje, ieder adertje en ieder peesje op hun benen kunnen zien. En wie een bos haar op zijn benen heeft, die ziet de bomen eronder niet meer.

Pannenkoek

Ongeschoren poten, dat is iets voor recreanten. Voor bierbuiken die één zondag per jaar hun fiets uit de schuur halen voor een rondje van een kilometer of twintig.

Voor kerels met bellen op hun stuur en zadeltasjes ter grootte van een strandbal. Voor onbehouwen ploerten die de pedalen niet aaien, maar ze mishandelen met hun gestamp.

Geschoren benen moet je eigenlijk verdienen. Het is een beloning als je de grens tussen pannenkoek en wielrenner bent overschreden. Als je genoeg hebt getraind. Als je genoeg over wielrennen hebt gedroomd. Als je genoeg met je beenhaar in je kettingbladen verstrikt bent geraakt. Wanneer genoeg genoeg is, mag je overigens volledig zelf bepalen.

O ja. Dat bos haar op mijn eigen benen? Dat is eraf. Benen horen glad te zijn. Punt uit.

Bron: nusport.nl

Column – Mart Smeets

Baanwielrennen anyone?

Vroeger was niet alles beter…het was anders. Voor diegenen die het niet weten of er nooit van gehoord hebben: ooit bestonden in Amsterdam de zogenoemde populaires.

Wedstrijden voor baanwielrenners in het Olympisch Stadion, dat toen nog een betonnen wielerbaan van 500 meter lengte kende.

Die populaires vonden plaats op donderdagavond en werden, bij goed weer, bezocht door zeker twintigduizend en soms meer toeschouwers.

Bij een groot affiche liep het stadion bijna vol.

Ze vonden plaats in de jaren zestig en zeventig. Baanwielrennen was in die tijd een geaccepteerde volkssport waar veel mensen in Europa op af kwamen. In Amsterdam, Rotterdam en Groningen reed men deze, licht aan circus herinnerende, attracties.

Spektakelman

Nederland had in Jan Derksen en Arie van Vliet sprinters van onwaarschijnlijke wereldklasse gehad. Gerrit Schulte trok in zijn eentje 40.000 toeschouwers naar het stadion en later dienden zich volgende generaties baanrenners aan.

Sprinters als Piet van der Touw, Piet van der Lans, het befaamde duo Gerritsen-Paul. Peter Post de achtervolger, Frans Mahn de spektakelman, Tiemen Groen de onbegrepen Friese tijdrijder die het cement in Amsterdam aan stukken reed en de mensen laaiend enthousiast op de banken kreeg.

Speaker in die jaren was een man die zijn zinnen altijd op dezelfde manier begon: “Hallo, hallo…” of “Motoren in de baan”, nadat hij de aanwezigen op de eerste rij had verzocht de kleding niet over de balustrade te hangen.

Minder vedetten

Een sprinttoernooi, achtervolgingsraces, puntenkoers, een wedstrijd ‘over onbekende afstand’, tandemraces en dan kwamen de grote motoren in de baan… Amsterdam ronkte en het publiek genoot.

Langzaam maar zeker verdween het enthousiasme voor baanwielrennen in ons land. Er was nog een opleving bij de Zesdaagse van Maastricht, maar het Olympisch Stadion nam afscheid van het cement. Er konden ook geen wedstrijden meer gereden worden in Nijmegen en Utrecht en we hadden steeds minder vedetten.

Na een flinke periode van droogte kwam er ineens een indoorbaan in Alkmaar. En zo kwam er later ook weer een Zesdaagse van Rotterdam, eentje in Amsterdam en een baan in Apeldoorn, waar nu zelfs de wereldkampioenschappen plaatsvinden.

Golden Theo Bos

In veel landen bestaat de echte baancultuur nog. Maar bij ons hangt het er een beetje bij. Het is er, er bestaan in ons land verrekt goede rijdsters en rijders, we winnen ook wel eens wat, maar baanrennen heeft nooit meer het grote publiek van weleer kunnen terugverdienen.

De komst van Golden Theo Bos leek een snelle opleving in te zetten, maar ergens stagneerde het toch weer.

Hebben de wielerliefhebbers in Nederland geen liefde meer voor de baan? Trekken we wel, in oranje gekleed, naar Alpe d’Huez en de Champs-Élysées, drinken we ons klem bij een augustuscriterium in den lande en laten we Apeldoorn links liggen?

Sensatie voelen

Ik weet dat je er komende dagen spannende sport kunt zien. Neen, geen “Hallo Hallo” meer maar dat was een watermerk van een tijd die achter ons ligt.

Het feit dat Bradley Wiggins na Milaan – San Remo in een streep naar Apeldoorn reed, zegt genoeg. Hij wilde de baan op. Hij wilde de sensatie voelen van dat rondrijden op een piste.

Nu het publiek nog.

Bron: NUsport.nl

Column – Thijs Zonneveld

Een doodskist vol kasseien

Ze graven Franco Ballerini op. Volgende week komen er lijkenpikkers van de verzekering naar de begraafplaats van Casalguidi met scheppen en houwelen, op zoek naar zijn graf.

Ze zullen de steen opzij trekken. Ze zullen graven, pulken en peuren in de grond – net zo lang totdat ze zijn doodskist tegenkomen. Want de verzekeringsmannetjes moeten Franco’s botten hebben voor extra onderzoek. De reden: geld. Misschien kunnen ze wel onder een claim uit.

Vorig jaar deed Franco mee aan een autorally bij hem in de buurt, in Toscane. Als bijrijder. Zijn race eindigde tegen een muurtje. Franco brak van alles en nog wat, waaronder zijn nek. Ik geloofde het niet toen ik het hoorde; Franco is van beton. Hij kan niet kapot. En bovendien vond ik het een dood die niet bij hem paste.

Franco zou als honderdachtentwintigjarige over-over-overgrootopa moeten sterven terwijl hij Parijs-Roubaix zit te kijken in zijn fijnste stoel.

Buffelen

Ik was vroeger fan van Franco. Net als iedereen, eigenlijk. Niemand kon zo mooi verliezen als hij. Hij smeet met zijn krachten, buffelde over kasseien als opgevoerde tractor, trok zijn stuur krom en zijn fiets scheef, demarreerde totdat hij ontplofte, liet aan iedereen zien dat hij de sterkste man van het peloton was. En aan het eind won er iemand anders. Schitterend.

Zijn mooiste nederlaag leed hij in Parijs-Roubaix van 1993. Franco reed in zijn uppie het hele peloton aan puin. Er was maar één renner die hem kon volgen: de bijna bejaarde Fransman Gilbert Duclos-Lasalle.

Carpaccio

Franco dacht dat hij die ouwe er wel af kon sprinten. Maar dat kon hij niet. Duclos-Lasalle won het spurtje op de piste van Roubaix met een voorsprong ter dikte van een plakje carpaccio. Franco verklaarde ter plekke dat hij de dag vervloekte dat hij met wielrennen was begonnen. En dat hij per direct stopte.

Dat deed hij natuurlijk niet. Franco was verliefd op kasseien. Hij fietste nog jaren over stenen, door de bagger, de sneeuw en de regen. Hij won zelfs nog twee keer in Roubaix. En één keer de Omloop Het Volk.

Glimlach

De kasseienliefde van Franco echoot nog altijd na. Het wemelt in het peloton van de Franco’s. Of ze nu Franco Boonen, Franco Flecha, Franco Hushovd, Franco Boom of Franco Langeveld heten: allemaal kicken ze op kasseien. De daver op hun polsen, de modder in hun mond, de stof in hun neus, de kriebel in hun buik en de pijn aan hun kont: niets is zo mooi als dokkeren over kinderkopjes. Net als Franco.

Afgelopen zaterdag mochten de Franco’s weer, voor het eerst dit jaar. Ze reden als kleine kinderen die de ballenbak bij de IKEA in de verte ontwaren: verstand op nul, recht vooruit. Blind rossen over de stenen, smijten met de krachten, demarreren tot er rook uit de oren komt.

Franco Langeveld won de Omloop Het Nieuwsblad voor Franco Flecha. Met een carpaccio voorsprong. Na afloop stonden ze allebei met een glimlach van oor tot oor op het podium. Over een week of drie mogen ze weer.

Leeft

Die verzekeringsmannetjes kunnen in het graf van Franco spitten wat ze willen – het is zinloos. Áls ze al een kist vinden, dan zitten er geen overblijfselen van Franco in. Hooguit een stapel kasseien. Want Franco is helemaal niet dood. Franco leeft nog. In het hele peloton.

Bron: nusport.nl – 1 maart 2011